Bron: Dierenkliniek Lemmer: http://www.dierenklinieklemmer.nl/page37/page93/wormen.html
Wormen bij het paard
Vrijwel alle paarden in Nederland en Belgïë zijn min of meer besmet met inwendige parasieten. Vooral infecties door wormen en hun larven zijn belangrijk. Daarnaast zijn ook larven van de paardenhorzel vaak aanwezig.
Een paard wordt besmet door het opnemen van een larve of ei van een worm via de mond. In het lichaam van het paard groeit de larve uit tot een volwassen worm. Deze wormen leven doorgaans in de darmen van het paard. De volwassen worm legt eitjes, vaak vele duizenden, die met de mest van het paard mee naar buiten komen. Deze duizenden eitjes zorgen weer voor een nieuwe besmetting als zij door andere paarden worden opgenomen met het gras.
Bij sommige wormen, zoals de spoelwormen en de aarsmaden ontwikkelen de larven zich al in het ei. Deze wormen kunnen ook op stal al voor besmetting zorgen. In de eieren van andere soorten wormen, zoals longwormen komen de larven pas tot ontwikkeling als zij enige tijd in het gras van het weiland hebben gelegen. Deze wormbesmetting kunnen paarden dan alleen maar oplopen als zij in de wei lopen.
Hieruit blijkt echter wel, dat ook een paard dat geen weidegang krijgt een wormbesmetting kan hebben en ontworming nodig heeft!
Bij andere wormen komen alleen op het weiland uit de eitjes larfjes die weer andere paarden kunnen besmetten. Deze infecties met bijvoorbeeld de strongyliden treden alleen op bij paarden als zij in de weide lopen. Bij sommige wormen gaan de opgenomen wormen larven niet rechtstreeks naar de darmen, maar maken eerst een trektocht door het lichaam van het paard. Hierdoor wordt schade aangericht aan de organen en dat maakt het preventief ontwormen van uw paard zo belangrijk!
Welke wormen kun je bij het paard tegenkomen?
• veulenworm (strongyloides westeri)
• grote strongyliden
• kleine strongyliden
• spoelworm (parascaris equorum)
• aarsworm (oxyuris equi)
• lintworm (anaplocephala perfoliata)
• longworm (dictyocaulis arnfieldii)
Veulenworm
De larve van de veulenworm wordt door de merrie met de melk uitgescheiden. Het veulen wordt op deze manier gemakkelijk besmet. Ook kan een larve via de huid binnendringen en vervolgens een trektocht door het lichaam maken. De met de melk opgenomen, besmettelijke larven, worden in het lichaam van het veulen snel volwassen. Zo kan een besmet veulen al tien dagen na de besmetting eitjes in de mest uitscheiden. Na vier dagen ontstaan uit deze eitjes de besmettelijke larven. Deze kunnen weer door de huid heendringen en het veulen herbesmetten. Zestig procent van de Nederlandse veulens zijn geinfecteerd met de veulenworm. Besmette veulens hebben vaak diarree en koliek.
Grote strongyliden
Grote strongyliden zijn twee tot vijf centimeter grote wormen en zeker geen lieverdjes. Strongylus vulgaris maakt een trektocht door het lichaam. De larve kruipt door de darmwand en komt in de wand van de bloedvaten terecht. Vooral in de wand van de darmslagader, maar ook in de andere slagaders kunnen de larven ernstige beschadigingen veroorzaken. Uiteindelijk kruipen de larven weer naar de darmen, worden daar volwassen en leggen eitjes die met de mest in de buitenwereld terecht komen. Besmette paarden hebben diarree en soms koliek. Ze worden mager en hebben een doffe vacht. De eetlust is verminderd en ze kunnen koorts hebben. Ook kreupelheid en verlammingen kunnen het gevolg zijn van de beschadigingen die de larven in de slagaders veroorzaakt hebben.
Kleine strongyliden
De larven van dit kleinere broertje worm kunnen na opname in het darmslijmvlies in een ruststadium overgaan. In deze “winterslaap” kunnen ze wel twee jaar aanwezig blijven. In de rustfase zijn de larven ongevoelig voor de meeste wormmiddelen. In de winter en het vroege voorjaar komen de larven massaal uit de darmwand. Larven van deze kleine strongyliden zie je in deze periodes als kleine rode wormpjes van ongeveer 0,5 cm groot. Bij een ernstige besmetting zijn de gevolgen voor het paard groot. Vermageren, diarree, koliek en soms een zwelling van de onderborst kunnen dan optreden. In ernstige gevallen kan een paard aan de besmetting bezwijken. Deze infectie, ook wel cyathostominose genaamd, is eigenlijk de belangrijkste besmetting van onze paarden. Allereerst kunnen de gevolgen van een besmetting zeer ernstig zijn en daarnaast vraagt de preventie een gedegen en goed georganiseerde aanpak. Op plaatsen waar meerdere paarden bij elkaar gehouden worden kan dit het best overlegd worden met de dierenarts.
Spoelwormen
De spoelworm kan wel vijftig centimeter lang worden. Vooral veulens tot een leeftijd van zes maanden hebben last van deze worm. Na opname van het ei ontstaat hieruit de larve, die een trektocht maakt door het lichaam, waaronder de lever en de longen. In de longen worden de larven opgehoest en doorgeslikt, waarna zij in de darm terechtkomen en volwassen worden. De besmette veulens hebben een ruw haarkleed en een dikke buik. Ze groeien slecht en zijn snel moe. Ook de eetlust is slecht. Bij ernstige besmeting is het veulen sloom en wordt mager. Sommige veulens beginnen te hoesten en hebben last van neusuitvloeiiing. Als er zeer veel wormen aanwezig zijn, kan dat een verstopping van de darmen veroorzaken. Soms kan de darm zelfs scheuren, waardoor het veulen zal sterven.
Aarsworm
De aarsworm leeft in het achterste gedeelte van de darm van het paard. De wormen leggen eitjes rondom de anus. Wel achtduizend tot zestigduizend stuks. Dit veroorzaakt jeuk, waardoor het paard met zijn achterste tegen hekken en planken schuurt. De haren van de staart kunnen hierdoor afgebroken worden.
Lintworm
De lintworm leeft in de dunne en de blinde darm van het paard en kan enkele meters lang worden. Besmetting met deze worm kan koliek veroorzaken. Vaak zijn deze gevallen van koliek zeer ernstig. Bij besmetting met deze worm kunnen soms witte, platte wormen van ongeveer 3-4 cm lang in de ontlasting worden gezien. Behandeling tegen deze parasiet dient in overleg met uw dierenarts te gebeuren.
Longworm
Deze worm komt vooral voor bij ezels. De ezel heeft zelf zelden last van de besmetting. Worden paarden samen met ezels gehouden of geweid op land waar kort tevoren ezels hebben gelopen, kan het paard besmet worden. Een paard met een longwormbesmetting heeft een hardnekkige, droge hoest en een verminderde eetlust. De longen zijn aangetast door de wormen, waardoor het paard dampig kan worden.
Paardenhorzel
De paardenhorzel is geen worm, maar wel een inwendige parasiet van het paard. Het is een vlieg (Gastrophilus spp.) die vanaf mei maar vooral tussen augustus en oktober voor onrust onder de paarden kan zorgen. De vlieg legt zijn eitjes op de vacht van het paard met name op de onderbenen. Door likken neemt het paard vanaf de benen eitjes op. De larven komen in de maag van het paard terecht. Ze blijven daar meer dan een half jaar aanwezig en worden dan met de mest mee naar buiten gebracht. Via een popstadium ontstaat weer een nieuwe vlieg. De larven van de paardenhorzel kunnen maagbeschadigingen en vermagering veroorzaken. De eetlust is verminderd en de besmette paarden gapen vaak.
Behandeling en preventie:
Besmetting is te voorkomen of te verminderen door:
1. niet teveel paarden tegelijk te weiden
2. de weiden regelmatig te maaien
3. de mest regelmatig uit de wei te halen
4. boxen van de paarden regelmatig te reinigen
5. bij een merrie met pasgeboren veulen de box dagelijks te reinigen en indien mogelijk dagelijks in de weide te brengen. Veulens kunnen op stal een grote Strongylidenbesmetting oplopen.
Ontwormen
Daarnaast moeten alle paarden regelmatig worden ontwormd. Afhankelijk van het gebruikte middel moet het paard om de zes, acht of twaalf weken behandeld worden. Niet alle wormen zijn gevoelig voor elk middel. Als larven en wormen niet meer doodgaan na gebruik van een bepaald product, noemen we dat resistentie of ongevoeligheid.
Er zijn globaal zes soorten wormmiddelen in de handel. Wettelijk mogen we hieronder geen produktnamen vermelden, maar toch staan ze er omwille van de duidelijkheid en overzichtelijkheid wel. Overleg met uw dierenarts welk middel voor uw paard(en) in uw situatie het meest geschikt is.
1. Benzamidazol-verbindingen (bijvoorbeeld telmin, rintal, equiminthe). Tegen deze middelen is veel resistentie in Nederland en deze producten moeten bij voorkeur niet worden gebruikt voor het routinematig preventief ontwormen van paarden.
2. Pyrantel (bijvoorbeeld strongid-P, anthel-P, equitel). Hiertegen is nog niet veel resistentie aangetoond. Wel moeten deze middelen elke zes weken worden herhaald. Ze zijn niet werkzaam tegen de paardenhorzel en ook niet tegen de ingekapselde strongyliden.
3. Ivermectine (Eqvalan, Furexel, Equarell, Equimectin, Noromectin). Tegen dit product is nog geen resistentie aangetoond. Elke acht weken moet een paard met ivermectine worden ontwormd. Tegen de ingekapselde strongyliden is het verminderd werkzaam, maar tegen horzellarven in de maag is het goed werkzaam.
4. Moxidectine (Equest). Dit product hoeft slechts een keer per twaalf weken te worden gebruikt. Doordat het middel zich ophoopt in het lichaamsvet is het langer in het lichaam van het paard aanwezig en dus ook langer werkzaam. Het werkt tegen de paardenhorzel-larven en is als enige product werkzaam tegen de ingekapselde larven van de strongyliden. Bij jonge dieren (onder de vier maanden) mag dit product niet worden gebruikt, omdat het vergiftigingen kan veroorzaken. Ook overdosering kan gevaarlijk zijn; dit gebeurt nogal eens bij veulens of jonge paarden.
5. Praziquantel (Drontal). Dit product helpt uitsluitend tegen lintwormen. Naast dit middel moet nog een middel gekozen worden om de overige wormen te bestrijden.
6. Er zijn ook combinatie-preparaten te verkrijgen, met ivermectine en pyrantel in een spuit om eventuele resistentie te omzeilen.
Daarnaast bestaat er een ontwormingsspuit die een ivermectine of moxidectine met praziquantel combineert, zodat behalve de gangbare wormen ook de lintworm wordt bestreden. Voorbeelden van deze laatste zijn Equimax, Eqvalan Duo en Equest Pramox. Overleg met uw dierenarts of dit ook elke keer nodig is.
• Na de geboorte van een veulen kan de merrie direct worden ontwormd.
• Het veulen mag na enkele dagen al ontwormd worden.
• Daarna zowel merrie als veulen elke zes weken behandelen tot aan het spenen.
• Nieuwe paarden die aan de koppel worden toegevoegd eerst ontwormen en 48 uur op stal afgezonderd houden van de rest van de groep.
• Alle paarden op een wei gelijktijdig behandelen.
• Zorg voor een juiste dosering. Onderdosering kan resistentie tot gevolg hebben.
• Ontworm de paarden op tijd, zorg voor het juiste doseringsinterval.
• Besteed vooral aandacht aan het juist ontwormen van veulens en jonge paarden.